Een capsulegarderobe opbouwen met weinig stukken en veel combinaties
Een volle kast en toch niets om aan te trekken. Een kleine, doordachte garderobe lost dat op, op voorwaarde dat de basis klopt.
Een volle kleerkast en toch niets om aan te trekken: dat gevoel kent bijna iedereen die 's ochtends voor de spiegel staat. Een capsulegarderobe draait het om. In plaats van veel losse aankopen hangt er een beperkte, doordachte verzameling kleren in de kast, waarin bijna alles met alles te combineren valt.
Het principe is al lang bekend in de modewereld, maar wint opnieuw aan populariteit. Minder keuze blijkt in de praktijk vooral rust te geven: de ochtend verloopt vlotter, de kast blijft overzichtelijk en elk stuk wordt ook echt gedragen.
Eerst kijken wat er al hangt
Een goede capsule begint niet in de winkel maar bij de eigen kast. Wie alles eens uit de kast haalt en op bed legt, ziet snel welke stukken wekelijks gedragen worden en welke al jaren met het etiket eraan hangen. Die eerste groep zegt veel over de eigen stijl en het eigen leven: wie op kantoor werkt, heeft andere kleren nodig dan wie de hele dag met kinderen of in een atelier bezig is.
Handig is een verdeling in drie stapels: houden, twijfel en weg. De twijfelstapel kan een paar weken in een doos op zolder. Wat in die tijd niet gemist wordt, mag naar de kringwinkel of de kledingcontainer. Stukken die niet meer passen of al lang kapot zijn, horen daar meteen bij.
Basisstukken die het werk doen
De kern bestaat uit stukken die niet opvallen maar wel alles dragen. Ze zijn effen, in een stevige stof en met een eenvoudige snit. Bij de meeste mensen komt die kern neer op een herkenbaar rijtje:
- een donkere jeans en een nette broek in wol of katoen
- drie of vier effen T-shirts of topjes in wit, grijs en marine
- twee hemden of blouses die zowel in als over de broek kunnen
- twee truien in merinowol en een cardigan
- een kleed of rok in een neutrale kleur
- een trenchcoat voor het tussenseizoen en een warme wollen jas
- witte sneakers, leren boots en een paar nette schoenen
Pasvorm weegt zwaarder dan het merk op het etiket. Een broek die op de juiste lengte valt en een jas waarvan de schouders kloppen, ogen verzorgd, ook als ze heel eenvoudig zijn. Een kleermaker in de buurt kan een mouw inkorten of een taille innemen, en dat verschil ziet men meteen.
Een kleurenpalet als ruggengraat
Kleur maakt of breekt het combineren. De meeste capsules vertrekken van twee of drie neutrale basiskleuren, zoals marine, grijs, camel, zwart of gebroken wit. Daarbij komen een of twee accentkleuren die goed bij huid en haar passen: flessengroen, roestbruin, bordeaux of zachtblauw. Wie warm getinte kleuren draagt, kiest beter camel dan zwart als basis, en omgekeerd.
Een eenvoudige proef: alle bovenstukken op een rij leggen naast alle broeken, rokken en kleden. Elk bovenstuk zou met minstens drie onderstukken moeten kunnen. Acht bovenstukken en vier onderstukken die allemaal samengaan, leveren al tweeëndertig combinaties op, nog zonder jassen, sjaals of schoenen mee te tellen.
Een kleine kast werkt pas als elk stuk met minstens drie andere samengaat.
Combineren en verstandig aanvullen
Accessoires brengen afwisseling zonder de kast te vullen: een sjaal, een riem, een paar oorbellen, andere schoenen. Hetzelfde marineblauwe kleed oogt heel anders met witte sneakers dan met laarzen en een dikke gebreide trui erover.
Veel mensen werken met een basis die het hele jaar blijft en een kleine seizoenslaag. In het voorjaar komen linnen en lichter katoen erbij, in de herfst wol en flanel. Wat buiten het seizoen valt, gaat proper gewassen in een doos of opbergzak onder het bed, zodat de kast licht blijft.
Bij elke nieuwe aankoop helpt een vaste vraag: met welke drie stukken die er al hangen, gaat dit samen? Lukt dat niet, dan blijft het in de winkel. Zo groeit de kast traag en bewust, en worden miskopen zeldzaam.