Wol en kasjmier verzorgen zonder krimpen of motten
Een goede wollen trui gaat jaren mee, op voorwaarde dat wassen, drogen en opbergen met wat aandacht gebeuren. Het meeste werk zit in weinig doen.
Wol en kasjmier zijn natuurlijke vezels met een eigen karakter. Ze voelen zacht en warm aan, ademen goed en blijven verrassend fris. Wie een paar eenvoudige gewoontes aanhoudt, draagt dezelfde trui tien winters lang. Wie ze vergeet, haalt na één wasbeurt een kindermaatje uit de machine.
Minder wassen, meer luchten
Wolvezels zijn van nature voorzien van een laagje lanoline en zijn geschubd, waardoor vuil en geurtjes er minder makkelijk in trekken. Een trui hoeft daarom lang niet na elke draagbeurt in de was. Een nacht aan een open raam of op een stoel in een koele kamer is vaak genoeg om hem weer fris te krijgen.
Vlekjes verdwijnen meestal met een vochtig doekje en wat wolwasmiddel, zonder het hele kledingstuk nat te maken. Een kledingborstel met natuurlijke haren haalt stof en haren weg en zet de vezels weer recht. Een gewone wasbeurt volstaat dan een paar keer per seizoen.
Wassen zonder te vervilten
Wol krimpt niet zomaar door water, maar door de combinatie van warmte, beweging en plotse temperatuurverschillen. Dan haken de schubben van de vezels in elkaar en vervilt de stof. Daarom draait alles om lauw water, weinig wrijving en dezelfde temperatuur bij wassen en spoelen.
Een wasmachine met een wolprogramma werkt prima, op maximaal dertig graden en met een laag toerental bij het centrifugeren. Een waszakje beperkt de wrijving nog extra. Gewoon wasmiddel is te agressief voor dierlijke vezels; een speciaal wolwasmiddel zonder enzymen is de betere keuze. Wasverzachter is overbodig.
Drogen gebeurt plat, op een droogrek of een handdoek, uit de buurt van de verwarming en de felle zon. Terwijl de trui nog vochtig is, kan hij in vorm worden getrokken: mouwen even lang, boorden recht. Aan een wasknijper of kleerhanger rekt natte wol uit door het eigen gewicht. De droogkast is uit den boze.
Pluisjes horen erbij
Kleine bolletjes op de stof, vooral onder de armen en op de zijkanten, zijn geen teken van slechte kwaliteit. Ze ontstaan door wrijving, waarbij korte vezels loskomen en in elkaar draaien. Bij kasjmier, met zijn heel fijne en korte vezels, komt het vaker voor, zeker in de eerste weken.
Een kasjmierkam of een elektrisch pluizenapparaatje haalt ze weg zonder de stof te beschadigen. Het werkt het best op een droge trui die plat op tafel ligt, met korte, lichte bewegingen in één richting. Na een paar keer neemt het pluizen meestal sterk af, omdat de losse vezels dan verdwenen zijn.
Bij wol zit het meeste onderhoud in weinig doen: luchten, borstelen en pas wassen als het echt nodig is.
Opbergen zonder motten
De kleermot zelf eet niets; het zijn de larven die zich te goed doen aan wol, kasjmier en zijde. Ze zoeken donkere, rustige plekken en hebben een voorkeur voor stof met huidschilfers, zweet of etensresten. Een proper gewassen trui is daardoor veel minder aantrekkelijk dan een gedragen exemplaar.
Wie wollen kleren in het voorjaar opbergt, wast of laat ze eerst reinigen en laat ze volledig drogen. Daarna gaan ze opgevouwen in een goed sluitende doos, een katoenen opberghoes of een afsluitbare zak. Truien horen niet aan een kleerhanger: de schouders rekken uit en de vorm gaat verloren. Blokjes cederhout of zakjes lavendel worden van oudsher in de kast gelegd; ze houden motten hooguit wat op afstand en vervangen een propere kast niet.
Een paar keer per seizoen de kast leeghalen, uitzuigen en de kleren even uitschudden, verstoort eventuele eitjes en larven. Wie toch gaatjes vindt, kan het aangetaste stuk enkele dagen in een afgesloten zak in de diepvries leggen. Daarna is het zaak de hele kast grondig te reinigen, want waar één larve zat, zitten er meestal meer.